By | etalage

‘Ik kan in het water op mijn handen staan pap, kijk maar’, zeg ik. Maar hij houdt mijn broers in de gaten en kijkt waar zij weer boven komen, dat zie ik, want hij luistert niet en doet niet wat ik zeg. Ik trek hem aan de rand van zijn zwembroek en zeg hem dat hij wel op moet letten.
‘Nou heb je het gemist’, zeg ik teleurgesteld. Daar weet mijn vader wel wat op en hij tilt mij in de lucht. Ik gil want ik weet wat hij gaat doen. Hij loopt de zee in met mij boven zijn hoofd en gooit mij in het witte schuim van de golven. Plons! Doe ik terwijl de kou mij beslaat en ik naar adem hap. Pap trekt mij weer binnen handbereik. Hij is mijn veilige boei in de grote oceaan. Hij zet mij op zijn brede schouders en waadt met mij torenhoog boven de zee uit naar mijn broers. Even voel ik mij de koningin van de zee maar dan gooit hij mij weer door de lucht en staat mijn wereld stil. Terwijl ik tuimel trekt de hemel en de zee onder mij aan mij voorbij, de zon in het hoekje van mijn oog. In de verte de stem van mijn broer:
‘En nu ik’, roept hij. Het koude water brengt mij in een klap weer terug in deze wereld en ik ga kopje onder in de golf. Een grote slok zout water en even weet ik niet meer wat onder en wat boven is, alles is groen om mij heen. In deze stilte hoor ik slechts mijn hart door het kalme ruizen van de zee heen terwijl het zand in de stroming mijn huid schuurt. Paniek, ik raak in paniek. Maar dan is daar die grote vertrouwde hand die mij stevig aan mijn bovenarm uit het water trekt.

Dineke

Fragment uit langer verhaal
Cursus Strandverhalen Bibliotheek Nieuw Waldeck

DRIELUIK: ZEE 1, 2, 3

By | etalage

1
Voor alles
Ruikt het naar ruimte
Naar verte en diep

Het is stil
En stiekem rommelt het toch
Van kabbelen en babbelen en ruisen
Van tetteren en schreeuwen en suizelen

Tranen in mijn ogen van de wind
Gloeiende wangen van langs schurend zand
Mijn adem blaast mij op
Tegen de wind in

2
Sjors de zeeman aller zeemannen
Op zoek naar vrijheid,
vergezichten,
verre gezichten
En liefst ook nieuwe liefdes

Machinist Ie klas op een tanker
Huid zwart van smeerolie
Oren doof van dreunende ketels

Met stinkende mannen in een helle kajuit
Woest en weemoedig onverstaanbaar zingend
Van moeder en vrouw en kinderen
En ook van niets

3
De vliegers vliegen
De hardlopers rennen
De honden blaffen
De strandjutter vindt zijn schat
De zeevisser vangt zijn vis
Eenzame wandelaars zoeken elkaar
En lopen elkaar mis

Joke de Haan

Cursus Strandverhalen
Bibliotheek Nieuw Waldeck

VIJVER

By | etalage

Ik wist zeker dat ik in mijn winterjasje op mijn rug in de vijver van het Haagse bos dreef (en naar lucht keek). Dat herinner ik me. Tja, herinneren dat is zoiets, vooral als het lang geleden is en je de leeftijd had waarvan je je afvraagt of je je dat echt zou kunnen herinneren. Ik was tweeëneenhalf / drie jaar toen het gebeurde maar wist het jarenlang heel zeker. Toen ik dat eens aan mijn moeder vertelde zei ze:
‘Welnee, je ontglipte ons, piepte er van tussen… Zo pardoes de plomp in’. Ik herinner me ook angst. Was ik zo geschrokken? Niet alleen ik natuurlijk, ouders schrikken ook. Ik kan mij in zo’n geval voorstellen dat ouders eerder zo snel mogelijk te werk gaan, als wel zo voorzichtig mogelijk. Je grijpt de drenkeling waar je ‘m te pakken krijgt. Ook weer schrikken. En wat had ik nou eigenlijk verkeerd gedaan?
Lange tijd later liep ik weer eens langs de plek, waar ik als kleine ‘waterman’, vrouw, meisje, koppie onder ging. Er gebeurde helemaal niets met mijn gevoel in tegendeel. Wat heb ik genoten van de blauwe boshyacinten, de vele vogels en de letterlijk schitterende vijver. Die niets prijsgaf van haar belevenissen.

M. S. Walland
Schrijfwerkplaats

WITTE VLAAMSE REUS

By | etalage

Het moet een zondag in het vroege voorjaar of late najaar geweest zijn, met het hele gezin. In de two-color Morris stationcar naar de Leusderhei, naar het springveldje om een wandeling te gaan maken. Ik mag mijn witte Vlaamse reus Paultje meenemen. Mijn moeder is hoopvol dat we Paultje die dag zullen kwijt raken. Niets aan de hand, gezellig met z’n allen aan de wandel. Na een half uur komt er opeens een grote herder aan. Hij stuift richting Paultje en die zet het op een lopen, dag Paultje. Nou, die zien we nooit meer terug. Wel heel verdrietig, een beetje paniek ook wel. Dan maar terug naar huis. We lopen weer richting de auto. Verrassing! Paultje zit keurig onder de auto te wachten, en gaat weer mee terug naar huis.

Greet Wervelwind
Schrijfwerkplaats

DE GOUDEN PARAPLU

By | etalage

‘Dat durf je niet!’, zegt mijn zus van zes. Ik dus mooi wel. Ik ga de uitdaging aan. Nog een paar stappen en ik ben binnen bij het frietdeel van ‘De Gouden Paraplu’ in de Goudenregenstraat. Moeder Kalisvaart vist met de schuimspaan de friet uit de bak. Die d-r-u-i-p-t van het vet. Zelf zal ze ook weg weten met de gouden steeltjes. Dat verraadt haar omvang wel. Haar zonen die bij mij op school zitten, hebben ook al superproporties.
‘Vier maal, alstublieft’, zeg ik, als ik aan de beurt ben. Gesis, onze friet gaat erin. Niemand heeft gemerkt, hoe ik naar binnen gekomen of nee geslopen ben. Een beetje schaam ik me wel.
‘Als jij bij de Gouden Paraplu patat gaat halen, krijg je een gulden. Maar…’ heeft mijn moeder met een speels lachje gezegd, ‘wel… op mijn hoge hakken’. Ik zie Moeder Kalisvaart al op hoge hakken. Ze zakt er vast doorheen. Charmant zal ze er ook niet door worden. Haar lippen heeft ze niet eens gestift zoals mijn moeder dat wel doet. Niemand zal mijn moeder ooit zien, als ze zich niet opgemaakt heeft. Met haar schelle stem zegt Moeder Kalisvaart:
‘Alles in een zak? Of vier aparte zakjes?’
‘Doet u maar alles in een zak’. Dan doet ze er altijd wat extra friet bij, dat weet ik. Als ik de deur uitstap, hoor ik haar nog net zeggen: ‘Wat heb jij elegante schoenen aan!’ Ik draai mijn hoofd om en zwaai met de zak patat.
‘Een weddenschap!’
‘Gefeliciteerd!’ zegt Moeder Kalisvaart met een lach en ze gooit voorgebakken goud in de bak. Schuifelend en klossend op de rode hakken loop ik naar huis terug. Laan van Meerdervoort, langs café De Burcht, waar mensen op het terras zitten, de Magnoliastraat in. Een lach op mijn gezicht. Bijna is mijn missie volbracht. Ik heb een gulden verdiend, een zilveren gulden.

Frits Enk
Schrijfwerkplaats

By | etalage

Ik zat drie maanden op ballet, toen er eindelijk een nieuw meisje bij de groep kwam. Het was een dun meisje met hoekige botten. Haar zwarte balletpak stak af bij haar spierwitte magere armen en benen. Tijdens het dansen hield ik haar goed in de gaten. Ze danste nog slechter dan ik. Ik was opgelucht. Eindelijk hobbelde ik niet meer als enige achter de groep aan. We hobbelden nu samen achter de groep aan. Het is jammer dat ze al snel beter werd. Steeds beter. Als ze sprong vloog ze door de lucht. Inmiddels kan ze de split en de spagaat en danst ze altijd vooraan. Ze kan geweldig dansen. Maar ze heeft nog steeds hoekige botten en spierwitte armen. En ik heb ook ontdekt dat ze een lichte snor heeft en flaporen en hele, hele grote neusgaten.

Liesbeth Mende
uit: Koffie, vaders en konijnen